Wat krijg je bij zwemdiploma A

Wat krijg je bij zwemdiploma A

Wat je leert en kunt na het behalen van je zwemdiploma A



Het Zwemdiploma A is het eerste officiële bewijs dat een kind veilig kan bewegen in en om het water. Het vormt de cruciale basis voor alle verdere zwemvaardigheid. Dit diploma, vaak behaald op jonge leeftijd, markeert een belangrijke mijlpaal: de overgang van watervrij zijn naar écht kunnen zwemmen. Het traject richt zich niet alleen op de eerste slagen, maar vooral op het ontwikkelen van waterveiligheid en zelfredzaamheid in een zwembad zonder attracties.



Bij Zwemdiploma A leert een kind allereerst om zich oriënteren en verplaatsen in het water. Dit betekent dat het leert drijven op buik en rug, onder water te gaan en te kijken, en zich voort te bewegen met eenvoudige zwemslagen. De techniek van de schoolslag en de enkelvoudige rugslag wordt hier aangeleerd. Maar minstens zo belangrijk zijn de vaardigheden om van de kant te vallen, ergens naartoe te zwemmen en zelf weer uit het water te klimmen.



Het examen toetst een breed pakket aan handelingen die essentieel zijn voor veiligheid. Denk aan het in het water springen, een stukje zwemmen, onder een lijn door duiken, draaien van borst- naar rugligging en het uit het water klimmen via de kant. Het kind moet dit allemaal kunnen uitvoeren in badkleding, maar ook met kleren aan: een shirt, broek en schoenen. Dit laatste onderdeel is van groot praktisch belang, omdat het de realiteit simuleert en het vertrouwen vergroot in onverwachte situaties.



Basisvaardigheden in het water



Het zwemdiploma A bewijst dat een kind de fundamentele technieken beheerst om veilig en met plezier in het water te zijn. Deze basisvaardigheden vormen het essentiële fundament voor alle verdere zwemontwikkeling.



De zwemmer leert allereerst om zich op verschillende manieren voort te bewegen in het water:





  • Een basis slag, zoals de schoolslag, voor een korte afstand.


  • Enkele meters rugslag zonder gebruik van armen.


  • Zich oriënteren onder water en draaien van borst naar rug en terug.




Veiligheid staat centraal. Daarom wordt er veel aandacht besteed aan het in en uit het water gaan op een veilige manier, zoals:





  • Van de kant te water gaan met een sprong (voetjes eerst).


  • Uit het water klimmen via de kant.




Een cruciale vaardigheid is het drijven, zowel op de buik als op de rug. Dit geeft vertrouwen en leert de natuurlijke draagkracht van het water kennen. Daarnaast oefent de zwemmer met het onder water gaan:





  • Onder een drijvend voorwerp door zwemmen.


  • Onderwater zoeken met de ogen open.




Tot slot leert de zwemmer hoe te handelen bij onverwachte situaties, zoals per ongeluk in het water vallen. Dit wordt geoefend met een val in het water met kleding aan, gevolgd door zelfstandig naar de kant komen.



Zwemslagen voor diploma A



Voor het behalen van zwemdiploma A leer je vier basisslagen. Deze slagen vormen de fundering voor alle verdere zwemvaardigheid.



De schoolslag is de eerste echte zwemslag die wordt aangeleerd. Je leert de beenslag met een symmetrische, ronde beweging. De armbeweging is hierbij nog eenvoudig: je strekt je armen vooruit en maakt een kleine, gelijktijdige halve cirkel naar achteren. Ademhaling gebeurt door op het juiste moment het hoofd boven water te brengen.



De rugslag wordt op de rug uitgevoerd. De beenslag lijkt op die van de schoolslag, maar dan in rugligging. De armen bewegen actief mee: zij worden gelijktijdig naast het lichaam door het water naar voren gebracht.



Bij de enkelvoudige rugslag lig je ook op de rug. De benen maken een crawl-beenslag: een beurtelingse, op-en-neer gaande beweging vanuit de heupen. De armen liggen in een pijlhouding naast het hoofd. Deze slag is belangrijk voor rustig en gestroomlijnd voortbewegen.



De borstcrawl leer je in de beginselen. De focus ligt op de beenslag: een continue, beurtelings op-en-neer gaande beweging. De armen worden beurtelings over het water naar voren gebracht en onder water naar achteren getrokken. De ademhaling wordt zijwaarts geoefend.



Een essentieel onderdeel is de wisselslag. Hierbij zwem je een baan schoolslag, gevolgd door een baan enkelvoudige rugslag. Dit leert je om tijdens het zwemmen van slag te wisselen zonder aan de kant te gaan staan.



Veiligheid en zelfredzaamheid



Veiligheid en zelfredzaamheid



Het bevorderen van veiligheid en zelfredzaamheid in het water is de kern van het Zwemdiploma A. Kinderen leren niet alleen zwemtechnieken, maar vooral hoe ze moeten handelen in onverwachte situaties.



Een essentieel onderdeel is het leren zelfstandig uit het water klimmen bij een vaste kant. Dit is een cruciale vaardigheid om een zwembad of recreatieplas veilig te kunnen verlaten.



Daarnaast oefenen kinderen met drijven op de buik en op de rug. Dit leert hen vertrouwen te krijgen in het draagvermogen van het water en geeft rust om op adem te komen. Ze leren ook hoe ze vanuit een drijvende houding weer kunnen gaan staan.



Een belangrijk veiligheidsaspect is het oriënteren onder water. Leerlingen oefenen met het onder water kijken en zoeken, bijvoorbeeld naar een voorwerp op de bodem. Dit vergroot hun zelfverzekerdheid in ondoorzichtig water.



Ten slotte wordt er geoefend met in het water gaan met een sprong (een kledinghulpstuk is hierbij verplicht). Deze handeling simuleert onverwacht te water raken, een eerste stap naar zelfredzaamheid bij een val.



Kledingeisen en praktijkproeven



Kledingeisen en praktijkproeven



Een belangrijk onderdeel van het Zwemdiploma A is het oefenen en afleggen van de proeven met kleding aan. Dit simuleert een onverwachte val in het water. De kledingeisen zijn specifiek: een badkleding, een T-shirt, blouse of hemd met lange mouwen, een lange broek (lange broeken die naadloos aansluiten op de huid, zoals een legging, zijn niet toegestaan), schoenen (plastic, leren en sportschoenen zijn toegestaan; schoenen zonder echte zool zoals surfschoentjes of sokken niet).



De praktijkproeven met kleding bestaan uit twee delen. Eerst spring je met de voorgeschreven kleding aan in het water. Vervolgens zwem je 25 meter schoolslag, waarbij je onderweg door een gat in een verticaal in het water hangend zeil moet zwemmen. Na deze 25 meter klim je zelfstandig uit het bad. Het tweede deel is 25 meter enkelvoudige rugslag, ook in kleding, gevolgd door uit het bad klimmen.



Daarnaast zijn er de reguliere praktijkproeven in badkleding. Deze omvatten onder meer: 50 meter schoolslag en 50 meter enkelvoudige rugslag, 8 meter watertrappen met gebruik van armen en benen, en 8 seconden drijvend op de rug in stil water. Ook moet je vanuit het water klimmen op een vlot of op de kant, en je onder water oriënteren door een halve draai om de lengte-as te maken.



Al deze proeven samen zorgen ervoor dat een kind met het A-diploma niet alleen technisch kan zwemmen, maar ook veerkracht en zelfredzaamheid toont in onverwachte situaties.



Veelgestelde vragen:



Wat moet je allemaal kunnen voor zwemdiploma A?



Voor het A-diploma leer je basisvaardigheden in het water. Je moet onder andere 50 meter schoolslag zwemmen, 50 meter enkelvoudige rugslag, en 8 meter beginnersborstcrawl en rugcrawl. Ook voer je onderwateropdrachten uit, zoals door een gat in een zeil duiken en onder een vlot door zwemmen. Je leert drijven op je buik en rug, en je kunt zelfstandig uit het water klimmen. Het doel is dat je veilig bent in een zwembad zonder attracties.



Hoe lang duurt het gemiddeld om zwemdiploma A te halen?



De meeste kinderen doen ongeveer een jaar over hun A-diploma. Dit kan verschillen door de leeftijd waarop ze starten, hoe vaak ze per week les hebben en hoe snel ze zich op hun gemak voelen in het water. Wekelijkse lessen duren vaak 45 minuten tot een uur. Snelheid is minder belangrijk; veiligheid en het goed aanleren van de vaardigheden staan voorop.



Is mijn kind echt veilig in water na alleen diploma A?



Nee, met alleen het A-diploma is een kind nog niet volledig zelfredzaam in alle situaties. Het A-diploma is de eerste stap. Het geeft basisveiligheid in een normaal zwembad. Voor open water, zee, of zwembaden met golven en stroming is het niet voldoende. Daarom zijn de diploma's B en C nodig. Die bouwen verder op de vaardigheden van A, met meer afstand, moeilijkere kledingopdrachten en het leren omgaan met lastigere omstandigheden. Pas na het C-diploma wordt een kind beschouwd als 'zwemveilig'.



Wat is het verschil tussen de kledingeisen voor A, B en C?



Bij elk diploma moet je met kleding aan zwemmen. Voor diploma A is dat korte broek en shirt of blouse met korte mouwen. Bij diploma B komen daar een lange broek en een shirt of blouse met lange mouwen bij. Voor diploma C draag je de kleding van B, plus een jas of regenjack. Deze opdracht toont aan dat je ook met zwaardere, natte kleding aan het hoofd boven water kunt houden en jezelf voort kunt bewegen. Het is een training voor onverwachte val in het water.

Vergelijkbare artikelen

Recente artikelen