Wat is de grootste stroming in de islam

Wat is de grootste stroming in de islam

De belangrijkste stroming binnen de islam soennieten en sjiieten vergeleken



De islam, met bijna twee miljard aanhangers wereldwijd, is geen monolithisch geloof. Binnen de religie bestaat een rijke diversiteit aan theologische scholen, rechtssystemen en spirituele tradities. Wanneer men de vraag stelt naar de grootste stroming, komt men onvermijdelijk uit bij een numerieke en historische realiteit die de structuur van de moslimgemeenschap, de ummah, fundamenteel heeft gevormd.



De overgrote meerderheid van de moslims – naar schatting tussen de 85 en 90 procent – behoort tot de stroming van de soennitische islam. Deze dominantie is niet alleen een kwestie van aantallen, maar ook van historische continuïteit. Het soennisme positioneert zich als de voortzetting van de religieuze praktijk zoals die werd gevestigd door de profeet Mohammed en zijn metgezellen. De naam is afgeleid van het Arabische woord 'Soennah', wat 'gewoonte' of 'traditie' betekent, en verwijst naar de navolging van het voorbeeld van de profeet.



De soennitische gemeenschap wordt gekenmerkt door een brede consensus over de fundamenten van het geloof en een gedeeld kader voor jurisprudentie (fiqh), gebaseerd op de Koran en de Soennah. Binnen dit brede kader bestaan vier belangrijke wetscholen (madhahib): de Hanafi, Maliki, Shafi'i en Hanbali scholen, die de religieuze praktijk in verschillende regio's structureren. Deze interne verscheidenheid binnen een overkoepelende identiteit is een bepalend kenmerk van het soennisme.



Het begrijpen van de omvang en de principes van het soennisme is daarom essentieel voor een goed begrip van de islam als wereldgodsdienst. Het biedt de sleutel tot het interpreteren van de religieuze, culturele en politieke dynamiek in veel moslimlanden, van Indonesië en Zuid-Azië tot het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Deze inleiding vormt het startpunt voor een verkenning van de historische oorsprong, de kernprincipes en de hedendaagse uitdrukkingen van deze dominante stroming.



De numerieke verdeling tussen soennieten en sjiieten wereldwijd



De numerieke verdeling tussen soennieten en sjiieten wereldwijd



De islamitische wereld wordt gedomineerd door de soennitische stroming. Naar schatting behoort 85% tot 90% van alle moslims wereldwijd tot het soennisme. Dit betekent dat ongeveer 1,7 miljard mensen zich als soenniet identificeren. De sjiitische stroming is de grootste minderheid en omvat naar schatting 10% tot 15% van de moslimbevolking, wat overeenkomt met ongeveer 200 tot 300 miljoen aanhangers.



De geografische spreiding van deze groepen is zeer ongelijk. Soennieten vormen de meerderheid in landen als Indonesië, Pakistan, Bangladesh, Turkije, Egypte en de meeste Arabische landen. De sjiitische bevolking is geconcentreerd in een paar specifieke regio's. Iran is het enige land met een duidelijke sjiitische meerderheid (90-95%). Irak, Bahrein en Azerbeidzjan hebben ook sjiitische meerderheden. In Libanon vormt de sjiitische gemeenschap de grootste religieuze groep.



Significante sjiitische minderheden bevinden zich in landen als Pakistan, India, Afghanistan, Saudi-Arabië (voornamelijk in de oostelijke provincie) en verschillende Golfstaten. Deze demografische concentraties hebben een diepgaande invloed gehad op de regionale politiek en geschiedenis.



Het is essentieel om te benadrukken dat deze cijfers schattingen zijn. Veel landen voeren geen officiële volkstellingen over religieuze sekten uit, waardoor analyses vaak gebaseerd zijn op academisch onderzoek en demografische studies. De verhoudingen kunnen bovendien per bron licht verschillen, maar de algemene verhouding van ongeveer 9:1 tussen soennieten en sjiieten wordt algemeen aanvaard.



Belangrijkste geloofsverschillen die de stromingen onderscheiden



Het centrale onderscheid tussen soennieten en sjiieten vindt zijn oorsprong in de opvolging van de Profeet Mohammed. Soennieten geloven dat de leider (kalief) gekozen moest worden uit de meest capabele en vrome volgelingen van de Profeet. Zij erkennen de eerste vier kaliefen, waaronder Abu Bakr, als rechtmatig.



Sjiieten daarentegen zijn van overtuiging dat het leiderschap (imamaat) door God was aangewezen en direct via de bloedlijn van de Profeet moest verlopen. Zij beschouwen Ali, de neef en schoonzoon van Mohammed, als de eerste rechtmatige opvolger en imam. Het imamaat is een fundamenteel theologisch concept in de sjiitische islam, waarbij de imam niet alleen een politiek leider is maar ook een spiritueel gezaghebbende en onfeilbare gids.



Een ander belangrijk verschil ligt in de religieuze autoriteit en interpretatie. In de soennitische islam wordt het gezag voornamelijk ontleend aan de consensus van geleerden (ijma) en analoge redenering (qiyas) naast de Koran en Soenna. Er zijn vier grote rechtsscholen met gelijkwaardig aanzien.



Binnen het sjiisme, met name de Twaalver-sjiieten (de grootste groep), spelen de imams en hun nalatenschap een cruciale rol in de interpretatie. Na de verdwijning van de twaalfde imam nemen hooggeleerde geestelijken (moejtahids) de rol van plaatsvervanger waar, waarbij het concept van marja'iyya (navolging) gelovigen leidt een levende geleerde te volgen in religieuze kwesties.



De praktijk en juridische benadering tonen ook verschillen. Soennitische gebeden worden over het algemeen vijf keer per dag verricht, terwijl sjiieten de middag- en namiddaggebeden en de avond- en nachtgebeden vaak combineren, wat drie gebedsmomenten oplevert. Het sjiitische tijdelijke huwelijk (mut'ah) wordt erkend, in tegenstelling tot in de soennitische rechtsscholen.



Daarnaast hebben bepaalde geloofsopvattingen een verschillende nadruk. Het sjiitische concept van taqiyya, het mogen verbergen van het geloof in tijden van gevaar, is prominenter. Ook de herdenking van de Slag bij Karbala en de martelaarsdood van Imam Hoessein, zoon van Ali, is een centraal en vormend element in de sjiitische identiteit en religieuze praktijk.



Geografische verspreiding: in welke landen is welke stroming dominant?



De dominante stroming binnen de islam, het soennisme, wordt door ongeveer 85-90% van alle moslims wereldwijd aangehangen. Het sjiisme is de grootste minderheidsstroming, met een aanhang van ongeveer 10-15%. Deze verdeling vertaalt zich naar een duidelijke, zij het niet absolute, geografische scheidslijn.



Soennitische meerderheidslanden zijn veruit in de meerderheid in de moslimwereld. Deze stroming is dominant in:





  • Vrijwel de gehele Arabische wereld, zoals Saudi-Arabië, Egypte, Marokko, Jordanië en de Golfstaten (behalve Bahrein).


  • Niet-Arabische landen in Azië, waaronder Turkije, Indonesië (het land met de grootste moslimbevolking ter wereld), Maleisië, Pakistan, Bangladesh en Centraal-Aziatische staten.


  • Het grootste deel van Afrika ten zuiden van de Sahara, zoals Nigeria, Senegal, Soedan en Somalië.




Sjiitische meerderheidslanden zijn beperkter in aantal, maar strategisch belangrijk. De belangrijkste zijn:





  • Iran, waar het sjiisme de staatsgodsdienst is en de bevolking voor meer dan 90% sjiitisch is.


  • Irak, waar de sjiieten een demografische meerderheid vormen (ongeveer 60-65%).


  • Azerbeidzjan en Bahrein, waar de sjiitische bevolking ook de meerderheid heeft.




Daarnaast zijn er landen met een aanzienlijke sjiitische minderheid, vaak met grote politieke invloed:





  • Libanon, waar de sjiieten de grootste religieuze groep zijn (ongeveer 30%).


  • Jemen, waar de zaiditische tak van het sjiisme sterk vertegenwoordigd is (ongeveer 35%).


  • Koeweit, Afghanistan, Pakistan, India en Saudi-Arabië (in de oostelijke provincie).




De soefistische beweging is geen afzonderlijke stroming naast soennisme en sjiisme, maar een mystieke dimensie binnen beide. Haar invloed is vooral sterk in landen als Senegal, Pakistan, India en delen van Noord-Afrika, vaak georganiseerd in broederschappen (tariqa's).



De khawarij of ibadieten, de oudste afgescheiden stroming, heeft tegenwoordig alleen nog een meerderheid in Oman, waar het de dominante vorm van islam is. Kleine gemeenschappen bestaan ook in Algerije (Mzab), Libië (Jebel Nefusa) en op het eiland Zanzibar (Tanzania).



Historische oorsprong van de scheiding na de dood van de profeet Mohammed



Historische oorsprong van de scheiding na de dood van de profeet Mohammed



De dood van de profeet Mohammed in 632 na Christus (11 AH) veroorzaakte een directe en existentiële crisis binnen de jonge islamitische gemeenschap (de ummah). Hij had geen expliciete opvolger (kalief) aangewezen, wat leidde tot een fundamentele vraag: wie had het recht om de gemeenschap te leiden en hoe moest deze leider worden gekozen?



Bij de Saqifah van Banu Sa'idah, een ontmoetingsplaats in Medina, kwamen de Muhajirun (de metgezellen uit Mekka) en de Ansar (de helpers uit Medina) bijeen om deze kwestie te beslechten. Een meerderheid koos voor Abu Bakr, een vroege bekeerling, schoonvader en naaste metgezel van de profeet. Deze keuze berustte op het principe van shura (overleg) en Abu Bakrs erkende verdiensten en senioriteit.



Een minderheid geloofde echter dat leiderschap een goddelijk mandaat was. Zij waren van mening dat Ali ibn Abi Talib, de neef en schoonzoon van de profeet, door Mohammed zelf was aangewezen als zijn spirituele en politieke opvolger (Imam). Deze opvatting vond haar oorsprong in gebeurtenissen zoals de aankondiging bij Ghadir Khumm, waar Mohammed volgens overleveringen zei: "Voor wie ik zijn meester (mawla) ben, Ali is zijn meester."



De aanvaarding van Abu Bakr als eerste kalief vestigde het principe van een verkozen leiderschap. Dit zou de basis vormen voor wat later het soennisme werd. De aanhangers van Ali, bekend als de 'Shi'at Ali' (de partij van Ali), bleven echter vasthouden aan het idee van het imamaat: het leiderschap behoort toe aan een specifieke afstammelingenlijn van de profeet, via Ali en zijn vrouw Fatimah, en is door God bepaald.



De scheiding verdiepte zich dramatisch met de moord op de derde kalief, Uthman, in 656 en de daaropvolgende benoeming van Ali als vierde kalief. Zijn leiderschap werd betwist door Mu'awiya, een familielid van Uthman. De Slag bij Siffin (657) en het daaropvolgende arbitrageproces splitsten de aanhang van Ali verder, waarbij de Khawarij zich afscheidden omdat zij vonden dat alleen God mocht oordelen.



Het definitieve breukmoment kwam met de Slag bij Karbala in 680, waar Husayn ibn Ali, de kleinzoon van de profeet, en zijn gevolg werden gedood door de troepen van het Omajjaden-kalifaat. Deze gebeurtenis verstevigde het sjiitische identiteitsbesef als een gemeenschap van lijdzaam verzet tegen wat zij als onrechtvaardig gezag zagen. De politieke verdeeldheid na de dood van de profeet kristalliseerde zich zo uit tot duurzame theologische en juridische tradities binnen de islam.



Veelgestelde vragen:









Vergelijkbare artikelen

Recente artikelen